Vanaf 1520 werden de wezen van Amsterdamse poorters opgevangen in het Burgerweeshuis.
Daar kregen de kinderen een opleiding zodat ze bij het verlaten van het weeshuis — als ze 20 jaar waren — niet
aan de bedelstaf zouden raken.
De kinderen kregen les in lezen, schrijven
en rekenen. Daarna moesten ze een vak leren. Meisjes leerden in de ateliers
van het weeshuis breien en naaien. Jongens gingen buiten het huis werken.
Uniform
De wezen van het Burgerweeshuis droegen een opvallend gekleurd uniform. De
kinderen waren zo herkenbaar als beschermelingen van de stad. Door het uniform
konden de wezen bovendien beter in de gaten gehouden worden als ze zich buiten
het weeshuis begaven. Het kostuum was eerst rood met wit, maar werd later
rood met zwart, omdat de witte stof wel erg snel vuil werd.
Afgeschaft
Aan het eind van de 18de eeuw was de mode zo sterk veranderd dat de wezen
erg opvielen in hun uniform. Maar pas in 1919 werd het kostuum definitief
afgeschaft. Een van de bestuursleden van het Burgerweeshuis vond toen "het
rood-zwarte kostuum" uit het oogpunt van schilderachtigheid zeer fraai voor
degenen, die de kinderen door de stad zagen gaan, doch hij trok in twijfel
of het voor hen wel zo aangenaam was uit dit oogpunt bekeken te worden.